[BLOG]
Een dag als BMHer
Iedere maand schrijft Medisch Hulpverlener Ambulancezorg Gilianne over het leven van een BHMer.
Deze keer: hoe ziet een dag van een BMHer er eigenlijk uit? Welkom op de ambulance.
De dag begint zoals altijd met een ‘’Goedemorgen’’ naar mijn collega’s. Die zitten op de rij stoelen bij de ingang van de garage vol glimmende ambulances. Ze wachten tot de pager gaat, tot hun dienst afloopt of totdat een andere collega ze koffie aanbiedt. Dit laatste kan je beter niet doen als de hal vol zit. Je krijgt dan namelijk een heleboel codes van snelkeuzes van het koffieapparaat naar je hoofd geslingerd. Er wordt gepraat over gereden ritten, het weer, het rooster en privézaken. De dag is begonnen.
Ik ga mij omkleden en hul mij in mijn ambulance-uniform waarin mijn naam staat. Het blijft bijzonder dat ìk deze kleding mag dragen. Ik heb er hard voor gewerkt, maar toch – het is niet voor iedereen weggelegd. Ik hang mezelf vol met alles wat ik dagelijks nodig heb; een pager, een portofoon, een mobiele telefoon, een stethoscoop, een stuwband, een pen, toegangspassen voor de ziekenhuizen en mijn toegangstag. Charmant? Niet echt, maar de nieuwe (vrouwvriendelijke) uniformen zijn gelukkig in de maak.
Ik meld ons in op de 128, een heerlijke auto met een elektrische zijdeur én een elektrische brancard. Dat scheelt vandaag een hoop sjouwen. Helaas zijn nog niet alle ambulances van die luxe voorzien maar dat gaat gestaag wel gebeuren. Alles voor de duurzame inzetbaarheid. Ik roep de meldkamer op, geef door met wie ik vandaag het genoegen heb en tot hoe laat wij ons zullen inzetten voor de mensheid in Den Haag en omstreken.
Rit 1
We hebben onze koffie nog niet op of de eerste rit valt; een mevrouw van 96 jaar is in huis gevalen en heeft een pijnlijke schouder. Mevrouw ligt nog op de grond en de familie durft mevrouw niet te verplaatsen. Ze ligt er als sinds gisteravond 23:00 uur. Inmiddels zijn we elf uur verder. Een rit die steeds vaker voorkomt door de vergrijzing en het langer thuis blijven wonen van onze ouderen. Het zijn vaak schrijnende situaties.
Als we ter plaatse komen zien we mevrouw op haar rug in de woonkamer liggen. Ze ligt naast haar ziekenhuisbed die permanent in de woonkamer staat. Haar dochter komt direct naar ons toe en vertelt ons dat ‘’het zo echt niet meer gaat, mijn moeder moet nu naar een verzorgingshuis’’. We horen vaak dit soort verhalen. We leggen uit dat het niet onze taak is om dit ‘zorgprobleem’ op te lossen en dat wij niet bevoegd zijn om mensen aan te melden bij crisisbedden in verzorgings- en/of verpleeghuizen. Wij zijn er voor acute, levensbedreigende situaties.
Nadat wij mevrouw uitgebreid hebben onderzocht, hebben geholpen met de toiletgang en haar hebben gewassen en aangekleed besluiten wij mevrouw niet mee te nemen naar het ziekenhuis, tot groot ongenoegen van de dochter. Wij leggen haar uit dat de pijnlijke schouder niet gebroken is en dat zij op een spoedeisende hulp niet op haar plek is. We bellen de eigen huisarts. Die is gelukkig erg meedenkend en komt snel ter plaatse zodat ik het verhaal ‘warm’ kan overdragen. Mevrouw is blij dat ze onderzocht is en neemt de paracetamol in die ik haar heb gegeven. De dochter is inmiddels ook tevreden over de gang van zaken en gaat met de huisarts verder bespreken hoe het nu verder moet. Wij beschrijven de situatie en ons handelen in het elektronisch ritformulier (ERF) en melden ons weer vrij bij de meldkamer. Inmiddels zijn we anderhalf uur verder.
Rit 2
‘’Dat is fijn jongens, ik heb een A1 in de wacht’’, klinkt het door de mobilofoon. Het verbaast ons niets dat we direct door moeten naar de volgende noodsituatie. De melding vertelt ons dat er een man pijn op de borst heeft en dat hij er zweterig bij zit. Een veelvoorkomende melding die direct serieus genomen wordt door het triagesysteem. We vertrekken met sirenes. Daar aangekomen treffen wij een meneer aan van 62 jaar oud die alleen woont. We doen in 10 seconden een ‘Patient Assessment Triangle’; een korte klinische blik om een inschatting te doen van de situatie. We zien een bleke, transpirerende meneer die snel ademt en zich duidelijk niet goed voelt. De patiënt zelf, een nuchtere Westlander, maakt zich echter niet zo druk en maakt zelfs nog grapjes. In een situatie als deze is de samenwerking tussen mij en mijn chauffeur heel belangrijk. Ik begin met de anamnese (het uitvragen van de klacht) terwijl mijn collega tegelijkertijd de patiënt aansluit aan de monitor. In een mum van tijd hebben we een diagnose en weten we dat we moeten doorpakken. Deze patiënt heeft een acuut myocardinfarct (hartinfarct) en is in levensgevaar. We werken ons protocol af zoals dat van ons wordt verwacht en leggen contact met de interventiecardioloog in het ziekenhuis. Deze is het met onze diagnose eens en maakt zich klaar voor onze komst. De patiënt wordt door ons ter plekke voorbereid op de komende behandeling; een dotterprocedure die met een duur woord ook wel Percutane Coronaire Interventie (PCI) wordt genoemd. Dit houdt in dat wij hem een infuus geven, diverse soorten medicatie toedienen en uit voorzorg de defi-pads plakken. Deze laatste hopen wij natuurlijk niet nodig te hebben, maar een hartinfarct kan nu eenmaal snel overgaan in een levensbedreigende hartritmestoornis die wij direct moeten oplossen door het geven van een schok. Een goede voorbereiding is in dit geval dan ook zeker het halve werk.
Gelukkig hebben wij de patiënt snel ‘stabiel’ in het ziekenhuis en direct op de dotterkamer kunnen brengen. Deze nuchtere Westlander heeft dan ook een grote kans op overleven. Hij groet ons dan ook met de opmerking; ‘’Jullie horen nog wel of ik het heb gered!’’. Wat heb ik toch heerlijk werk.
Na deze rit krijgen mijn collega en ik de opdracht van de meldkamer om retour post te gaan. Aldaar vullen wij de gebruikte spullen weer aan in de ambulance en drinken we een kop koffie. Al snel gaat onze pagers alweer af.
Rit 3
Een jongeman van 16 jaar heeft tijdens het voetballen zijn knieschijf geluxeerd (uit de kom). Dit is erg pijnlijk maar niet levensbedreigend, dus gaan we met ‘gepaste spoed’ die kant op. Eenmaal aangekomen ligt er inderdaad een jongeman op het veld. Hij heeft zijn linkerbeen gebogen en houdt deze vast met zijn handen. We zien direct dat de knieschijf ‘ernaast’ staat en gaan aan de slag. De jongen heeft duidelijk pijn maar houdt zich groot. Dit is begrijpelijk als je ziet dat al zijn voetbalmaten in een cirkel om hem heen staan. Wij vragen hen dan ook ons en de patiënt wat ruimte te geven. De jongens doen keurig wat hen opgedragen wordt en gaan richting kantine.
Ik check kort de lichamelijke conditie van de patiënt en voel aan zijn pols naar zijn hartslag, die is regelmatig en krachtig en zo’n 90 slagen per minuut. Prima. Ik vraag hem of hij gezond is, ergens allergisch voor is en of hij medicatie gebruikt. Hierin zijn geen bijzonderheden dus kan ik hem pijnstillers geven. Ik besluit te gaan voor Ketanest. Een pijnstiller die perfect is voor deze situatie door zijn snel- en kortwerkende, sterk pijnstillende en licht verdovende werking. Nadeel van dit medicijn is dat mensen ervan kunnen gaan hallucineren en dat zij angstig of onrustig kunnen worden. Een goede uitleg ter voorbereiding is dan ook noodzakelijk. Gelukkig hebben wij daarnaast ook nog rustgevende medicatie die wij kunnen toedienen als de patiënt alsnog wat heftig reageert op de Ketanest. ‘’Komt goed, vertrouw ons maar’’. Na het toedienen van de medicatie via een infuus blijven wij de hele tijd tegen de jongen praten om hem af te leiden. We merken dat hij wat ‘wegzakt’ en richten ons op de knie. Met een aangeleerde techniek plaatsen wij de knie weer op de anatomisch juiste locatie en stabiliseren wij deze in een beenspalk. We geven nog paracetamol via het infuus als ondersteunende pijnstilling en wachten totdat de Ketanest begint uit te werken. De jongen kan met onze hulp op de brancard plaatsnemen en beleeft de werking van de pijnstiller. Hij vindt het geweldig en joelt dat hij ‘’hartstikke high is’’. We lachen met hem mee en de omstanders aanschouwen vol bewondering het hele tafereel. We brengen hem met de ambulance naar het ziekenhuis voor een röntgenfoto en verdere behandeling.
Inmiddels zijn we ruim over de helft van de dienst. Naast alle spoedritten die binnenkomen via 112 rijden we ook veel zogenaamde planbare ritten. Dit zijn ritten die aangevraagd zijn door huisartsen, ziekenhuizen of verpleegcentra. Het gaat hierbij vaak om vervoer van A naar B als een patiënt te ziek is om met eigen vervoer te gaan of als de patiënt niet met eigen vervoer van- en naar het ziekenhuis mag. Denk hierbij aan gedetineerden of gedwongen opgenomen psychiatrische patiënten. Bij deze laatste twee categorieën krijgen wij regelmatig ondersteuning van begeleiders of politieagenten. Zij rijden dan mee in de ambulance om de veiligheid van alle betrokken partijen te bewaken. Bij dit soort ritten draait het meestal niet om acute situaties waarbij wij snel medisch moeten handelen maar kun je een patiënt helpen door met ze te praten, ze liefdevol te verzorgen of ze juist met rust te laten. Ook vandaag verzorgen wij twee van deze ‘B-ritten’. Er wordt vaak gedacht dat dit saaie ritten zijn, maar juist de afwisseling tussen de ‘spannende ritten’ en de ‘zorgritten’ zorgt voor een prettige afwisseling in het werk en geven je de kans om je te ontwikkelen als veelzijdig ambulancehulpverlener.
Eindstand van deze dienst: twee mensen met boeiende levensverhalen van A naar B vervoerd; een knie rechtgezet en de patiënt van de pijn afgeholpen; daadwerkelijk een leven gered door snelle herkenning, direct handelen en luidruchtig vervoer naar het ziekenhuis; en een zorgprobleem op weg geholpen naar een passende en permanente oplossing. Ik zeg een goede score!
Tot de volgende blog!
'Hij groet ons dan ook met de opmerking; ‘’Jullie horen nog wel of ik het heb gered!’’. Wat heb ik toch heerlijk werk.'